Discriminatie

Dit is een verhaal dat ik niet wilde schrijven. Niet omdat het een gebeurtenis is die ik niet wilde ervaren, zo zijn er meer en die schrijf ik zonder problemen op, maar ik heb geen zin om, in de allerlaatste fase van onze tocht, nadruk te leggen op negatieve ervaringen. Toch schrijf ik dit verhaal, getriggerd door wat er de volgende dag gebeurde.

We zijn vijf dagen onderweg vanaf Puerto Natales als we in Villa Tehuelches komen, het enige dorp tussen Natales en Punta Arenas. We keken uit naar dit dorp. Vijf dagen lopen door de pampa, overgeleverd aan de wind die hier altijd waait. Het is mijn verjaardag vandaag en ik hoop op een lekker feestmaal vanavond. Vanaf een afstand ziet het dorp er hoopvol uit. Bij een paar gebouwen wapperen de vlaggen uitbundig, een duidelijk teken dat er een restaurant of een winkel is. Zoals vaker in Chili lijkt het veelbelovend, maar valt het in de praktijk toch tegen.

Bij de eerste vlaggen waar we langs komen lopen we een winkeltje in. Een oude, kleine vrouw leunt met haar armen op een kleine toonbank. De schappen achter haar zijn half leeg. Ze verkoopt alleen maar lang houdbare producten. Blikken fruit en vis, koekjes en wc-papier. Maar vooralsnog ben ik niet geïnteresseerd in de spullen die ze verkoopt, ik wil weten of we in dit dorp kunnen overnachten, of we weer in een lekker bed kunnen slapen vannacht.
‘Is er een hostal in het dorp?’, vraag ik haar.
Ze moet diep nadenken en verschijnen nog meer rimpels op haar al zwaar gerimpelde gezicht.
‘Eventjes geduld’, zegt ze, terwijl ze zich omdraait en wegloopt.
Even later hoor ik haar bellen en als ze terugkomt heeft ze het verlossende woord.
‘Ja, het kan. Er komt zo iemand jullie ophalen.’
Ik ben in de veronderstelling dat ze een hostal in het dorp gebeld heeft, maar als we aan het wachten zijn en ik nog wat doorvraag blijkt dat we bij haar overnachten. Haar dochter komt ons zo halen.
‘Maar’, zegt ze, ‘ik kan niet voor jullie koken. Jullie kunnen eten bij het restaurant in het dorp, dat is tot acht uur open.’
Jeannette kijkt verbaasd en ze vraagt of ze het wel goed begrepen heeft, of het restaurant pas om acht uur open gaat, of al om acht uur sluit. Voor Chileense begrippen is acht uur open gaan al redelijk vroeg, acht uur sluiten hebben we nog nooit meegemaakt. Maar we hebben het goed begrepen.

De kamer die de dochter ons laat zien valt tegen. Een kleine kamer waar net twee eenpersoonsbedden in passen. Het plafond is zo laag dat ik moet bukken als ik me langs het eerste bed wurm om bij het tweede bed te komen. Ze hebben niets anders, hier kunnen we slapen voor dertig euro.

Villa Tehuelches heeft niet veel te bieden. Het enige andere winkeltje in het dorp is dicht en brood is hier niet te koop. Ik vraag aan de señora van ons hostal of zij misschien brood heeft voor ons.
‘Misschien’, zegt ze, ‘als er morgen na het ontbijt brood over is, wil ik dat wel aan jullie verkopen.’

Mijn hoop is nog gevestigd op het restaurant. Misschien kunnen zij ons nog helpen. Maar het restaurant is geen restaurant. Het is een kleine cafeteria aan de doorgaande weg. Een plek waar toeristen stoppen om even koffie te drinken en een sandwich te eten. Als we er tegen zeven uur aankomen is hij al dicht. We kloppen op de ramen, roepen halo, maar er verschijnt niemand.

Terug in ons hostal vertel ik tegen de señora dat het restaurant dicht is.
‘Dat is vroeg vandaag’, is haar antwoord en ze draait zich om naar het houtfornuis en gaat verder met koken.
‘Is er nog een andere plek om te eten in het dorp?’, vraag ik.
Ze draait zich niet om en blijft door een grote pan blijft roeren, maar haar antwoord is een duidelijk nee.
‘Eh, kunnen we hier dan eten?’, vraag ik.
‘Ik heb al mensen’, zegt ze, ‘dus dat gaat niet.’
‘Maar, we willen graag eten. U heeft toch wel eten om klaar te maken?’, probeer ik.
‘Ik heb wel vlees, maar dat is bevroren.’
Hiermee is het voor haar afgedaan. Bevroren vlees kun je niet serveren, dat snapt elke Chileen. Maar ik ben geen Chileen, dus ik snap het niet. Ik wil graag eten, dus ik vraag het nog een keer.
‘Als de mensen die straks komen wat overlaten, wil ik dat wel aan jullie serveren’, zegt ze heel toeschietelijk.
Jeannette en ik kijken elkaar verbaasd aan. We begrijpen er niets van en vinden het allebei verstandiger om even niks meer te zeggen om te voorkomen dat we hele vervelende dingen gaan roepen.
‘We zijn geen honden!’, roept Jeannette als we op ons kamertje zitten.
Gelukkig hebben we nog wel wat eigen voorraad en we maken een eigen prakkie klaar. Geen feestmaal dit jaar op mijn verjaardag.

De volgende ochtend lopen we met bedrukte gezichten weg uit Villa Tehuelches. Het is nog drie dagen lopen naar Punta Arenas en we hebben geen flauw idee of we tot Punta Arenas wel iets tegenkomen. De onzekerheid knaagt en het weer ziet er dreigend uit.

Plotseling stopt een achteropkomende auto in de berm. De bestuurder zwaait de deur open en komt met een brede grijns op ons afgelopen. Hij grijpt mijn hand, omhelst me, feliciteert me. Ik was gisteren jarig, denk ik, maar dan omhelst hij ook Jeannette, geeft haar een zoen en feliciteert haar ook.
‘Ik vind het geweldig wat jullie doen!’, roept hij uit.
‘Het is prachtig, indrukwekkend, wat een moed!’
‘Eh, hoe kent u ons?’, stamel ik.
‘Uit de krant’, zegt hij, ‘ik heb jullie verhaal in de krant gelezen. Ongelofelijk wat jullie presteren. Mag ik met jullie op de foto?’
‘Natuurlijk mag dat.’
‘Het mag!’, roept de man naar een meisje in de auto.
Het meisje, een jaar of twaalf, stapt uit de auto met een fototoestel in haar hand.
‘Mag ik in het midden staan?’, vraagt de man vol opwinding aan ons.
Met een grijns van oor tot oor komt de man tussen ons in staan. Wij zijn allebei minimaal een kop groter en met moeite kan de man zijn armen om onze schouders heen slaan.
Het meisje lijkt met een beetje gêne de foto te maken en de man begrijpt niet dat het meisje niet met ons op de foto wil, maar hij vindt het al lang best. Hij staat met ons op de foto. Hij kan zijn vrienden laten zien dat hij ons ontmoet heeft.

Pas als de auto wegrijdt besef ik dat ik deze foto ook graag had willen hebben. Een foto van een stoere vent die vol trots met een brede grijns tussen ons in staat. Hier kan ik weer even mee vooruit. Hier haal ik Punta Arenas wel mee. Het lopen gaat weer een stuk gemakkelijker.
‘Ik denk toch dat ik een verhaal ga schrijven’, zeg ik tegen Jeannette, ‘positieve discriminatie is wel leuk.’

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Region 12: Magallanes. Bookmark de permalink .

Een reactie op Discriminatie

  1. Niet iedere verjaardag is altijd even uitbundig en met lieve kadootjes en warme aandacht tot een fijne herinnering gecreëerd…..
    Vanuit Nederland een ferme hug en de wens dat je een fijn nieuw levensjaar tegemoet zult gaan!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s