Een grens over

‘De boot gaat om drie uur’, zegt Alfredo, terwijl hij zijn mobieltje neerlegt. Hij heeft net gesproken met Hans van Hielo-sur. Hans heeft besloten dat de boot, ondanks de harde wind wel naar Cadelario Mancilla vaart, maar niet naar de gletsjer O’Higgins. Dat laatste hadden we gisterenavond ook al gehoord, maar dat de boot nu toch naar Candelario Mancilla gaat is een verrassing. Komen we vandaag toch nog weg uit Villa O’Higgins.

Snel pakken we onze spullen. Het is bijna half twee en het is acht kilometer lopen naar Bahia Bahamondes, waar de boot vertrekt. We kunnen met een busje mee, maar ja, wij lopen alles wat we kunnen lopen, dus lopen we, haastig, over de grindweg Villa O’Higgins uit, alsof de duivel ons op de hielen zit. Twee fietsers passeren ons en even later een pick-up. Of we mee willen rijden, vraagt de chauffeur.
‘Nee, we lopen’, antwoord ik.
‘Dat redden jullie nooit, de boot gaat om drie uur’, dringt de chauffeur nog aan, maar ik sla de lift af en we lopen door. Na een uur hebben we zes kilometer afgelegd. We zitten goed op schema. Af en toe kijk ik achterom om te zien of het busje al komt, maar het busje komt niet. Om tien voor drie komen we bij de boot, vijf minuten later komt het busje en iets na drieën vertrekken we.

Het is best mooi weer. De zon schijnt af en toe en het is droog. Het waait wel, maar zelfs de wind valt mee. Deze arm van Lago O’Higgins lijkt aardig in de luwte te liggen. Toch deint de boot al behoorlijk en ik installeer me op het voordek tegen onze wheelies aan. Jeannette vindt het hier te fris en gaat binnen zitten. Ik zit liever buiten, zo houd ik zicht op de horizon. Ik heb het nooit zo op boottochtjes.

Naarmate de tocht vordert worden de golven groter en gaat de boot steeds meer op en neer. Af en toe zijn er stevige windvlagen die een mist van waterdruppeltjes veroorzaken. Na twee uur varen draaien we langzaam om een landpunt heen en komt de boot meer in de wind te liggen. Een golf klapt stuk op de boeg van het schip en ik krijg een kleine bui van spatwater over me heen. Ik ga naar binnen. Nog voor ik kan gaan zitten maakt de boot een klap. Een enorme golf beukt tegen de boeg en slaat over het hele schip heen. Even lijkt het alsof we onder water zijn. Wankelend grijp ik een bank vast en ga naast Jeannette zitten. We kijken elkaar aan, ook Jeannette heeft het hier niet zo op en we hopen allebei dat de tocht niet meer al te lang duurt. De boot komt in open water en begint aan de oversteek naar Candelario Mancilla. Zig-zaggend varen we naar de overkant zodat de boot of wind mee, of wind tegen heeft. Af en toe zijn de windvlagen zo hard dat de boot gevaarlijk schuin overhelt. Alle passagiers zitten binnen en voortdurend slaan golven over de boot heen. De deuren lijken niet meer op deze golven berekend en langs het hele deurkozijn lopen straaltjes water naar binnen. Ik probeer me, tussen de golven door, steeds zoveel mogelijk op de horizon te richten. Dat valt niet mee, meestal zie ik alleen maar water of alleen maar lucht. Na een half uur zit het ergste erop en zijn we vlak bij Candelario Mancilla. Ik ben blij dat we niet naar de gletsjer gaan, dan had deze tocht niet drie, maar acht uur geduurd. Ik wil zo snel mogelijk vaste grond onder mijn voeten.

De volgende dag lopen we om negen uur naar de carabineros van Candelario Mancilla. Vlak ervoor halen drie Italianen en hun Chileense gids ons in met hun pick-up. Samen staan we binnen bij de carabineros voor de Chileense douaneformaliteiten. Hier gaan we Chili uit. Omdat we een visum voor één jaar voor Chili hebben, hebben we ook een Chileense identiteitskaart. Hiermee kunnen we Chili uit, onze Nederlandse paspoorten hebben we hiervoor niet nodig. Het gaat alleen minder snel dan we dachten. Onze kaarten en de identiteitskaart van de Chileense gids worden ingenomen en de politiebeambte verdwijnt. Na vijftien minuten is hij nog steeds niet terug. Inmiddels zijn twee Braziliaanse fietsers en vier Japanners gearriveerd. Zij laten hun bagage met een pick-up en paarden vervoeren. Na een half uur is de beambte nog steeds weg. De Chileense gids gaat voorzichtig kijken wat er gebeurt.
‘Ze zijn mate aan het drinken’, zegt hij als hij terugkomt.
Theepauze blijkbaar. Na drie kwartier komt politiebeambte weer terug. Hoopvol kijk ik hem aan, maar hij ontwijkt mijn blik en vraagt de Brazilianen en de Japanners om hun paspoorten. Vijf minuutjes later kunnen zij verder en staan wij nog steeds te wachten.

Jeannette loopt geïrriteerd heen en weer.
‘Schandalig dat ze ons zo lang laten wachten! Stelletje lamzakken hier’, verzucht ze.
‘Doe geen gekke dingen’, zeg ik tegen haar, ‘dan staan we alleen maar langer te wachten.
‘Ja, maar om zes uur gaat de boot over Lago del Desierto, die gaan we missen als dit nog lang duurt’.
‘We kunnen dit toch niet versnellen’, antwoord ik haar.
‘Ik ga naar buiten om af te koelen’, reageert ze nors.
Buiten rukt Jeannette het Chileense vlaggetje van haar wheelie af. Het zit er al bijna de hele tocht op.

Na bijna twee uur wachten komt de politiebeambte met de drie identiteitskaarten terug.
‘We moesten wachten op toestemming’, verklaart hij, ‘dat moeten we via de radio aanvragen’.
De Chileense gids is inmiddels ook gefrustreerd.
‘Ze zeggen dat Chilenen zo hard werken, maar we kunnen niets goed organiseren’, verzucht hij. ‘Je zou verwachten dat het voor Chilenen gemakkelijker is om het land in en uit te gaan, maar buitenlanders mogen zo het land uit, terwijl het voor Chilenen veel lastiger is’.
Ik kan het alleen maar beamen.
‘Ik hoop dat we de boot halen’, zeg ik tegen hem.
‘Oh, dat redden jullie gemakkelijk’, antwoordt de gids. ‘Het moeilijke stuk is maar zes kilometer en het grootste deel daarvan gaat goed met jullie karretjes. Misschien op drie plekken, waar het erg modderig is heb je problemen, maar dat kost jullie hooguit tien minuten. Fietsers hebben het veel lastiger.’
Ik vraag het me af, hij heeft nooit met de wheelies gelopen, maar toch put ik hoop uit zijn opmerkingen. Het zal allemaal wel meevallen.
‘Houd je boot voor ons tegen als we te laat zijn?’, vraag ik nog als hij met zijn Italiaanse klanten vertrekt.

Inmiddels is het elf uur geweest, over een kleine zeven uur gaat de boot bij Lago del Desierto. We moeten nog ongeveer 22 kilometer lopen, waarvan de laatste zes over het smalle en slechte pad.
‘We halen het wel’, probeer ik Jeannette gerust te stellen als we eindelijk gaan lopen, ‘de gids zei dat er maar een paar lastige stukken zijn’.

Over een smalle, stenige grindweg lopen we omhoog. De eerste vijf kilometer klimmen we 400 meter en we moeten hard aan de wheelies trekken. We doen er anderhalf uur over en op het hoogste punt pauzeren we kort in de luwte van een klein bosje. Daarna gaat de weg een beetje op en neer en tegen drie uur bereiken we de grens tussen Chili en Argentinië. Dat valt niet tegen, we hebben nog drie uur om bij lago del Desierto te komen, waar ook de Argentijnse douane is. Drie uur voor zes kilometer.

Vanaf nu is er geen grindweg meer. Het is een bospad. Vol goede moed beginnen we aan het laatste stuk naar Lago del Desierto. De eerste paar honderd meter gaan goed, maar al na vijf minuten wacht het eerste obstakel, een riviertje waar een paar boomstammen over liggen. Het pad is erg modderig en we besluiten de wheelies samen, één voor één over het riviertje te tillen. Dat gaat goed. Het pad wordt nu snel slechter. We moeten tussen de bomen door manouvreren en de wheelies met kracht over boomwortels heen trekken. Ons tempo zakt snel in en vanaf nu zijn we aan het werken en aan het ploeteren om vooruit te komen. Grote bomen liggen soms over het pad en in de loop der jaren heeft zich een alternatief pad gevormd, dat veel smaller is en tussen de struiken door gaat. Ik vraag me af of fietsers het hier lastiger hebben. De wheelie is breder dan een fiets en af en toe moet ik een deel van de wheelie door de struiken heen trekken.

‘Dit is toch geen manier om een land in te komen!’, roept Jeannette uit, ‘Videla had toch wel een paar militairen hier naar toe kunnen sturen om een weg aan te leggen, zoals Pinochet met de Carretera Austral heeft gedaan’, voegt ze er aan toe.
‘Ik geloof niet dat Videla en Pinochet zulke goede vrienden waren’, antwoord ik haar, ‘maar ik ben blij dat dit pad er in elk geval is, zo kunnen wij onze tocht maken.’

Na een uur zijn we bijna twee kilometer verder. Het zal erom hangen of we de boot gaan halen. Maar het pad wordt er niet beter op. Het eerste stuk was redelijk vlak, maar nu gaat het pad omhoog en omlaag. Tussen de boomwortels liggen ook grote keien waar we de wheelie overheen moeten trekken.
Achter mij vervloekt Jeannette alles wat er te vervloeken valt, Argentijnen, Chileense ambtenaren, de wheelie en het pad. Ik zet mijn wheelie aan de kant en loop een klein stukje terug naar Jeannette.
‘Zal ik wat van je overnemen?’, vraag ik.
‘Nee, hoeft niet’, antwoordt ze.
‘Maar je hebt nog zeker één liter water in flesjes, gooi dat in elk geval weg, dat gebruiken we toch niet meer’, probeer ik nog.
‘Nee, we gaan door’, is haar korte reactie.
Ze is niet alleen koppig en eigenwijs, maar heeft ook haar trots.

We komen bij een klein stukje drassige heide. De wheelie-wielen zakken er tot halverwege in weg en zelf zakken we tot over onze enkels weg. Als we dit gehad hebben komen we bij een riviertje vol grote keien. Dit kunnen we niet meer via boomstammen overbruggen. De wheelies tillen we samen, één voor één naar de overkant. We lopen voorzichtig door het water. Natte voeten hadden we al, maar door het ijskoude water hebben we nu ook steenkoude voeten en enkels.

Een vinger van Jeannette bloedt. Door het schuren tegen haar broek heeft ze haar middelvinger open gehaald. Haar broek zit onder het bloed.
‘Zal ik een pleister pakken?’, vraag ik.
Dat ziet ze niet zitten. Die is er zo weer af. We lopen door en het smalle pad loopt aan weerskanten schuin omhoog. Hierdoor hangt de wheelie schuin en kost het grote moeite en kracht om de wheelie recht te houden.
‘Nee, nee, nee. Je kunt het! Dit gaat niet!’, schreeuwt Jeannette uit als ze bijna met wheelie en al dreigt om te vallen. Ik gesp snel mijn wheelie los, maar als ik bij haar ben heeft ze wheelie weer recht staan. Moedeloos kijkt ze me aan. Ik geef haar een dikke zoen op haar voorhoofd.
‘Zullen we even pauzeren?’, zeg ik. ‘Het is niet erg als we de boot van zes uur niet halen, we kunnen het in ons eigen tempo doen.’
‘Nee, we gaan door’, is haar antwoord.

We gaan door. Vloekend en tierend gaan we door. Op één kilometer van Lago del Desierto halen twee Amerikaanse fietsers ons in. We zijn inmiddels allebei al een paar keer met wheelie en al onderuit gegaan en we zijn net bij een smal dalend pad met een diepe voor. Ook hier moeten we de wheelies samen, één voor één omlaag sjouwen. De fietsers kunnen hier nog wel doorheen. ‘Hoezo hebben fietsers het lastiger?’, denk ik terug aan de woorden van de Chileense gids. Vijfhonderd meter voor Lago del Desierto krijgen we ineens zicht op het meer. We zien de boot liggen. Het is kwart over zes, maar de boot ligt er nog. Zou de Chileense gids de boot laten wachten?

Hoopvol gaan we verder, maar vijf minuten later zien we de boot vertrekken.
‘Daar gaat de boot’, zeg ik tegen Jeannette.
‘Dan gaan we hier kamperen’, antwoordt ze.
Tien minuten later, om half zeven komen we bij de gendarmeria van Argentinië. Met onze Chileense identiteitskaarten komen zonder problemen het land in. Onze bagage wordt niet eens bekeken.
‘Kunnen we hier kamperen?’, vraag ik.
‘Ja, daarginds’, antwoordt de beambte kortaf.
Vijf, zes tentjes staan aan de rand van meer.
‘Hebben jullie water?’, vraag ik.
De man kijkt me vol verbazing aan. Hij wijst naar het meer. ‘Kun je drinken’, is zijn antwoord.
‘En is er een wc?’, probeer ik nog.
‘Jazeker, een ecologisch toilet, het bos’, zegt de man terwijl hij naar het bos aan de rand van het meer wijst.

Veel hulp van de Argentijnse gendarmeria hoeven we dus niet te verwachten. We zoeken een plekje om onze tent op te zetten en maken de schade op. Naast de nodige mentale deuken die we hebben opgelopen, hebben we pijn aan onze vingers, handen, polsen, armen en schouders van het zeulen aan de wheelie. Jeannette heeft vuistgrote blauwe plekken op haar dijbenen. De dissels van de wheelie hebben hier tegen aan geslagen. Ook de wheelies hebben het niet helemaal zonder schade doorstaan. Het frame rammelt, alle schroeven zitten los en een wiel van Jeannette heeft een spaak verloren. In onze eetdoos, die onder de wheelie van Jeannette zit, is een gat geslagen. Gelukkig hebben we geen eten verloren en lijken de wheelies het, na aandraaien van de schroeven, toch goed doorstaan. We kunnen verder, maar hiervoor moesten we wel een grens over.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Argentinië, Region 11: Aysen. Bookmark de permalink .

6 reacties op Een grens over

  1. Renske Saathof zegt:

    Weer een geweldig verhaal om te lezen.
    Ik had het met Jeannette te doen, wat een vermoeiende tocht!
    Jullie zijn echte doordouwers!!!
    Die blauwe gekneusde plek gaat ook wel weer over.

    Renske

  2. Anke Jansen zegt:

    Dit is je ware…
    Doorzetten en niet versagen…
    Ook dit bestaat – ik herken het –
    een doel willen halen, eerst ruim de tijd hebben,
    alles lijkt goed te gaan, dan
    volgt de ene obstructie na de andere, tanden op elkaar,
    doorgaan, doorzetten, blijven geloven in je doel, maar
    het doel ook durven loslaten, beseffen dat het zijn eigen tijd
    heeft… mooi om dit in jullie verhaal weer tegen te komen,
    mooi om dit met jullie te mogen mee beleven.
    jullie daar aan de andere kant van de wereld.

    warme groet,
    Anke

  3. Hans van Lowijde zegt:

    Ik ben onder de indruk van de buffeltocht
    die jullie gemaakt hebben op karakter en kracht
    hulde
    groetjes Hans vL

  4. Marjo zegt:

    Kennelijk is geen uitdaging jullie teveel. Jullie zijn echt grensverleggend bezig en banen nieuwe wegen. Knap dat jullie tegenslagen weten om te zetten in positieve energie. Keep on track(ing)!
    Groetjes Marjo en Piet

  5. I. E. Hoebergen zegt:

    We hebben getwijfeld om op Heimwee re reageren. Er zijn volgens mij niet zoveel mensen die nooit het gevoel van heimwee hebben meegemaakt. Eigenlijk is het een goed gevoel. Je weet dan wat je mist. Je weet waar je vandaan komt. Je weet dan dat je trots mag zijn op je afkomst.
    Je weet dan dat je een goede jeugd hebt gehad. Je weet dan dat je ouders nu bezorgt over jullie zouden zijn geweest. Je weet dan dat ze nu bewonderenswaardig over jullie zouden praten met familie, vrienden en kennissen. Maar je weet ook dat jullie vader, mijn broer Cor, en in mindere mate jullie moeder Riet, vooraf gezegd zouden hebben: “Waar beginnen jullie toch aan.” Jullie Opa Hoebergen uit Asten zou zeker gezegd hebben : “Wat ga je daar toch liggen vallen.” Met andere woorden: “Wat zoeken jullie daar toch, neem toch geen risico’s.” Maar ook hij zou achteraf er trots op zijn geweest, op wat jullie presteren. En wij niet minder.
    Jac en Jopie, Rosmalen

  6. Hennie van den Broek zegt:

    Oei oei, wat een ellende !! Jullie zijn wel echte bikkels met zo’n doorzettingsvermogen.
    Succes verder.
    Groetjes Hennie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s