Eindelijk halverwege

‘Gaan we weer’, zeg ik tegen Jeannette.
‘Ja, we gaan weer’, antwoordt ze.
Ik kijk nog even de kamer rond om te zien of we niks vergeten. Het is verbazingwekkend hoe we, als we in een hotel of hostal aankomen, onze slaapkamer onmiddellijk volledig vullen met al onze spullen en hoe gemakkelijk alles de volgende morgen weer in onze wheelies verdwijnt. De kamer ziet er weer kaal en leeg uit.

Maar ik heb geen zin om te vertrekken. Dat komt niet omdat het zo’n geweldig leuk hotel is of omdat Chillan zo’n gezellige stad is. Integendeel, ik zou niet weten wat we vandaag hier nog moeten doen. We hebben gisteren de belangrijkste attracties van de stad, het plein – Plaza de Armas – en de cathedraal, al uitvoerig bekeken. We hebben geluncht in het beste vegetarisch restaurant van Chili en een heerlijke Schöfferhofer hefeweissen gedronken in de meest moderne lounge bar van Chillan. Er valt niets meer te doen voor ons Chillan.

Natuurlijk, we kunnen nog naar de Termas de Chillan, 80 kilometer naar het oosten in de Andes op de hellingen van de Nevados de Chillan. Maar daar hebben we geen zin in, dat past niet in onze tocht. We moeten lopen, blijven lopen. En juist daarmee heb ik problemen. Ik heb geen zin om te lopen. Ik ben loopmoe. En ik zie op tegen de onzekerheid, de voortdurende onzekerheid. Ik zie op tegen het onbekende.

We lopen vandaag naar San Ignacio en ik heb geprobeerd om met Google Earth een route over onverharde binnenwegen uit te zetten. Net onder Chillan moeten we een rivier over, maar ik kon op Google Earth niet zien of er wel een brug was.
San Ignacio is een klein plaatsje en ik heb geen flauw idee of we daar ergens kunnen overnachten. Dat is niets nieuws. We weten vrijwel nooit waar we ’s avonds slapen als we ’s ochtends vertrekken. Maar altijd slapen we ergens. Veel plaatsjes hebben wel een hostal of residencial. En als dat er niet is dan is vaak nog wel een señora die een paar kamers verhuurt, normaal aan arbeiders, maar als er nog een bed over is dan kunnen wij er ook slapen. En als dát er niet is, dan hebben we nog altijd onze tent, dan zoeken we wel een schooltje, voetbalveldje of ander plekje uit om te kamperen.

Vandaag valt deze onzekerheid me zwaar. Ik ben bang dat we een keer op een hele smerige plek terechtkomen. Dat er een keer luizen in de lakens zitten, de kakkerlakken in mijn schoenen kruipen of de ratten aan ons brood vreten.

Niet alleen de onzekerheid valt me zwaar, ik zie ook op tegen het lopen, het sleuren aan de wheelie over een onverharde weg met keien of het aan de kant springen voor een voorbijrazende bus op een asfaltweg. We zijn al zo lang aan het lopen, al zo lang onderweg. 149 dagen, om precies te zijn, sinds ons vertrek uit Tripartito, Visviri, in het uiterste noorden van Chili. 31 dagen, precies een maand geleden zijn we in Santiago aangekomen. Hoewel ik toen wist dat we nog lang niet halverwege waren voelde het bereiken van Santiago wel als de helft. We hadden van het uiterste noorden naar Santiago gelopen, nu nog van Santiago naar het uiterste zuiden. En een volle maand na het bereiken van Santiago zijn we nog steeds niet halverwege, we ‘moeten’ nog altijd meer dan we al gelopen hebben. Dat wist ik, de feiten, de cijfers gaven het duidelijk aan. Maar nu voel ik het ook. Het besef hoe lang onze tocht in werkelijkheid is komt nu pas, nu naast de ratio ook het gevoel er is. Als ik denk aan teruglopen naar Visviri, al die plaatsen en al die ervaringen die we gehad hebben, dan ervaar ik de lengte van onze tocht in zijn volle omvang. En nog zijn we niet halverwege.

Het landschap boeit me nu niet. Het is niet bijzonder, niet spectaculair. We hebben veel mooiere stukken gehad en het voegt niets toe aan wat we al gezien hebben. Het lijkt soms op Nederland, vlak, wat bomen en akkerbouw, en soms op noord Frankrijk, licht glooiend akkerland en vervallen boerderijtjes. Ik vind het niet bijzonder, ik heb het al zo vaak gezien. Ik wil weer de bergen in, met spectaculaire uitzichten en ruige rotspartijen. Maar hier in de bergen is geen route die naar het zuiden leidt. Waar we nu lopen kunnen we wel de bergen in, maar ergens in de Andes houdt de weg op. De doorgaande paden en wegen naar het zuiden lopen over de heuvels vlak tegen de bergen aan.

Net onder Chillan is een grote brug de rivier over. In San Ignacio komen we na wat rondvragen terecht bij een hele aardige señora. Ze heeft ruimte voor wel twaalf arbeiders, maar vanavond slaapt er maar één stelletje. Wij. Het was een warme dag en onze señora schudt de kussens op in de tuinstoelen onder een grote parasol. We moeten gaan zitten en krijgen koud ananassap en verse aardbeien voorgezet. ’s Avonds bij het eten zet ze een fles rode wijn op tafel.

Ik voel me sullig. Ik vind het slap van mezelf dat ik me druk maakte over de brug en de overnachtingsplek. Het was allemaal geen probleem. En áls we tegen een probleem aanlopen is er altijd wel een oplossing, soms zelfs beter dan het oorspronkelijke plan.

De volgende ochtend nemen we afscheid van onze aardige señora. We gaan weer verder. Pemuco wacht. En ook Pemuco heeft een residencial waar we kunnen slapen. De dag daarna komen we in Yungay en dan volgt Tucapel. Ook Tucapel heeft een residencial, maar tot onze verbazing zit die vol. We worden doorgestuurd. Eén kilometer verderop zijn cabañas, maar de cabañas worden verbouwd. Weer worden we doorgestuurd. Eén kilometer verderop is het balneario municipal, daar kunnen we kamperen. Het klopt, we kamperen voor 2.000 pesos (3 euro) aan de oever van de rivier Laja. De douche is koud, maar het weer is prachtig.

Ik heb vandaag genoten van de uitzichten. Als de ochtendmist is opgetrokken verschijnen de besneeuwde bergtoppen achter de glooiende heuvels. Naar die bergen, daar gaan we naar toe. Nog een paar dagen en dan lopen we via de vallei van de rivier Biobio de Andes in. Ik ben nieuwsgierig naar wat we daar te zien krijgen, ik ben nieuwsgierig naar het onbekende.

De volgende ochtend staan we vroeg op. Het is vroeg licht en als we kamperen kunnen we niet lang blijven liggen. Hoewel we al een tijdje niet meer gekampeerd hebben zit de routine er nog goed in en alles is vlot ingepakt. Vandaag is een speciale dag. Vandaag zijn we halverwege, eindelijk halverwege. Precies vijf maanden onderweg en nog vijf maanden te gaan. Ik heb zin om te lopen, ik ben benieuwd wat we vandaag te zien krijgen en waar we vandaag terecht komen.
‘Gaan we weer’, zeg ik tegen Jeannette.
‘Ja, we gaan weer’, antwoordt ze.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Region 8: Bio bio. Bookmark de permalink .

5 reacties op Eindelijk halverwege

  1. Reggy zegt:

    Gefeliciteerd met “het halverwege zijn” en gelukkig was het dipje maar van korte duur!!!
    Groet Reggy

  2. Hennie van den Broek zegt:

    Hoi Arlen en Jeannette,

    Ja het is al supergoed dat jullie al halverwege zijn. PROFICIAT. En Arlen even een dipje hoort er ook wel bij met zo’n lange tocht. Gelukkig ben je alweer aan het genieten van al het nieuwe wat je onderweg tegenkomt. Veel plezier!

  3. wim zegt:

    Hoi Arlen en Jeanette
    Proficiat. Halverwege is oneindig veel verder dan dat de meeste ooit zullen lopen. Ik blijf jullie verhalen met veel plezier lezen.

    gr. Wim

  4. jan zegt:

    Hoi Arlen en Jeanette,

    Geweldig om halverwege te zijn , wij lezen nog steeds met veel plezier jullie berichtjes.
    Arlen met je squashteam gaat het goed op het moment staan wij 4e maar je wordt wel gemist.

    Groet

    Jan Jouvenaar

  5. Theo en Francine zegt:

    Was toch maar een heel klein dipje??? Succes maar weer, petje af.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s