Naar de kust

De twee ‘guardaparques’, Leo en Pedro, zetten ons met hun grote witte pick-up truck af bij de grens tussen regio 15 en regio 1. Tot hier zijn we gisteren, zonder wheelie, gelopen. Nu gaan we weer verder met volle bepakking. Het is maar tien kilometer lopen vandaag. Pedro, de guardaparque uit Guallatire, legt het me nog eens uit. ‘Over tien kilometer is een pueblecito, een klein dorpje, daar moet je vragen naar Jacinto Castro. Bij hem kun je overnachten. Je kunt ook vragen naar de thermas, de warmwaterbronnen. Het ligt allemaal heel dicht bij elkaar, zo langs de weg.’

Het klinkt goed. Ik heb wel zin in een warm bad vanavond. Vast ook goed voor mijn verkoudheid. Vanochtend was ik er niet zo zeker van dat we vandaag zouden gaan lopen. Ik heb de hele nacht liggen hoesten. Een hele vervelende hoest, waarbij ik diep moet ademhalen om goed te kunnen hoesten, maar al bij een beetje inademen schiet ik in een hoest. Een hoest zonder effect. Dat gaat zo even door tot ik eindelijk wat dieper kan ademhalen en een stevige hoest kan produceren. Ik lijk bijna een slechte auto die op gang moet komen.

Gisteren hebben we 35 kilometer gelopen, best veel als je bedenkt dat we op een hoogte tussen 4300 en 4740 meter lopen. Maar we liepen zonder wheelie, alleen met een dagrugzakje, en we hadden alle tijd. Leo, de guardaparque uit Salar de Surire zou ons weer op komen halen, tussen 4 en 5 uur. We mochten niet verder lopen dan de grens tussen regio 15 en regio 1, want hij mag met zijn pick-up de grens niet over. Voor half vijf bereikten we de grens en Leo kwam uiteindelijk pas om kwart over vijf. Ik ben in een greppel gaan liggen om een beetje zon te voelen en niet de harde, ijskoude wind. Toch lig ik na een kwartiertje al te rillen. Jeannette gaat niet in de greppel liggen. Ze wil haar ogen op de weg houden om te zien of Leo er al aan komt. Als we uiteindelijk weer in de Conaf-hut zijn maken we wat eten klaar en ik ga daarna meteen naar bed. Ik ben zelfs te moe voor een warme douche. Warme douche klinkt trouwens beter dan het is. Er komt warm water uit de douchekop, maar in de ruimte is het net 5 graden, dus zodra je de kraan uitzet en je gaat afdrogen, sta je al te rillen van de kou.

Met mijn verkoudheid en algehele vermoeidheid wil ik vanavond niet kamperen. Maar we willen wel door naar Enquelga, 39 kilometer vanaf de regio-grens. Als we vandaag tien kilometer lopen, kunnen we dat morgen wel halen. En in Enquelga is weer een Conaf-hut, er is een klein hostal en een winkeltje. Het is bijna een stad op de Altiplano! De belofte van Pedro dat we na tien kilometer bij iemand kunnen overnachten trekt me over de streep. We pakken onze spullen in en laten ons afzetten.

We lopen over de pampa. Een kleine vlakte met veel kleine struikjes, kleine poeltjes met water (bofodales) en lama’s, alpaca’s en vicuña’s. Soms zien we zelfs schapen. Maar ook de pampa is niet vlak, soms gaan we kleine stukjes omhoog en zodra we omhoog gaan voel ik de energie uit mijn benen wegstromen. In gedachten zeg ik tegen mezelf: ‘kleine pasjes, rustig aan, kleine pasjes, rustig aan.’
‘Kleine pasjes, kleine pasjes’, dit klinkt bekend en door mijn hoofd gaat de rest van de dag: ‘Kleine pasjes, grote pasjes, stop maar in de wasmachine, laat maar lekker draaien.’ Hoe krijg ik dit er weer uit?

We hebben inmiddels tien kilometer gelopen en er is geen dorpje te zien. Ja, na vier kilometer zagen we een eind van de weg af een paar huisjes staan, maar dat kon het toch niet geweest zijn? Elf kilometer nog steeds niets, maar na twaalf kilometer zie ik in de verte wat huisjes staan. Nog een stukje, dat vooruitzicht op een warm bad trekt me een kilometer verder. Het dorpje heeft één nieuw leeg gebouwtje en een tiental vervallen huisjes. Voor één van de huisjes staat een klein busje, dus daar loop ik als eerste naar toe. ‘Hola’, roep ik, ‘hola’, maar er komt geen reactie. De lemen huisjes hebben golfplaten daken en gammele houten deuren. Voor de ramen zitten tralies en houten luiken. De deuren zijn allemaal aan de buitenkant met een groot hangslot afgesloten. Het lijkt me niet dat er nu mensen thuis zijn.

Ongeveer een kilometer verder langs de weg zien we nog een paar huisjes. Jeannette stelt voor om daar maar naar toe te lopen. De huizen hier zien er nog slechter uit. Er zitten gaten in de rieten daken en ook hier zijn de deuren van buiten afgesloten met een hangslot. Eén huisje heeft hele gammele houten deurtjes die Jeannette open duwt. Het huisje is net twee bij vier meter. Het rieten dak heeft een paar gaten, de vloer is gewoon zand met wat stro van het dak en vogelstront. Aan het eind is een kleine verhoging. Een klein houten kruis en een paar kandelaars staan erop. In een piepklein nisje staat een geplastificeerd plaatje van Maria. Het is een huisje van God. Een kerkje.

We roepen nog wat bij de andere huisjes, maar krijgen geen respons. Het is inmiddels kwart over vier, veel langer kunnen we niet wachten met het opslaan van ons bivak, snel na zes uur is het donker. We schuiven met onze voeten de grootste rotzooi van de vloer van het kerkje, leggen onze slaapmatjes neer en spreiden onze slaapzakken uit. We slapen in de kerk vannacht. Geen warm bad, geen Jacinto Castro, geen bed, maar een koude en tochtige kerk.

Zodra het licht wordt staan we op. Gisterenavond hebben we thee in onze thermoskan gedaan en deze heeft in onze slaapzak gelegen. Zonder dat we hoeven te koken kunnen we lauwe thee drinken. ’s Ochtends als het erg koud is, doet onze brander het nog niet zo goed en water of limonade van net het boven het vriespunt drinkt ook niet zo gemakkelijk weg. We eten er een half droog broodje bij en wat koekjes en gaan we onze spullen inpakken. Als alles op en in de wheelies zit rijden we de kerk uit. Als Jeannette door de gammele deurtjes gaat, valt een deurtje dicht. De krukjes op haar wheelie blijven achter het deurtje steken en ze komt er met de volbeladen wheelie niet meer uit.
‘#^*!’, schreeuwt Jeannette uit. Gelukkig staat ze zelf net buiten de kerk.
Ik help Jeannette en tot haar irritatie kan ik alleen nog maar fluisteren, want door mijn verkoudheid ben ik nu mijn stem kwijt.

Volgens mijn berekening zitten we op 25 kilometer van Enquelga en dat klopt. We zijn vroeg vertrokken en pauzeren maar kort. Het is bewolkt en er waait de inmiddels gebruikelijke koude westenwind. Daardoor komen we al rond drie uur in Enquelga aan. Twintig lemen huisjes bij elkaar en een klein kerkje. Als we door de hoofdstraat lopen roept een vrouwtje iets naar ons. We verstaan haar niet, maar ze wil wat van ons. Sterker, ze biedt ons wat aan. We kunnen bij haar blijven slapen. Ze heeft een soort schuur met wc, douche en een kamer met twee bedden. ‘Is er warm water?’, vraag ik. ‘Ja’, zegt ze. Even ben ik opgelucht, maar ik vraag door: ‘kunnen we warm douchen?’. Nee, dat kan niet. Er komt alleen koud water uit de kraan, maar ze kan ons wel een ketel heet water brengen. We hebben geen keus. De Conaf-hut in Enquelga is dicht. We moeten hier overnachten. Het valt mee met de kou binnen, mijn thermometer geeft 5 graden aan en we zitten in elk geval beschut.

Half op en in bed bespreek ik met Jeannette onze opties voor de route. De altiplano is uitzonderlijk mooi. Maar het lijkt wel of de mooiste natuur alleen te zien is onder de meest barre omstandigheden. We twijfelen allebei of we dit fysiek nog wel aankunnen, of we niet heel binnenkort misschien een grens overgaan. Mijn verkoudheid wordt niet beter, maar lijkt zich te verdiepen. Weinig adem op deze hoogte helpt niet echt. Jeannette is ook al verkouden aan het worden. We hebben pas 13 dagen echt gelopen, we moeten nog ongeveer 20 dagen lopen voor we van de altiplano afgaan. Gaan we dit met onze conditie wel redden? We verlangen naar wat warmte en lekker eten. Iquique, aan de kust, ligt op ongeveer 10 dagen lopen. Gevoelsmatig laat ik de altiplano in de steek, gevoelsmatig voelt het afwijken van de route als falen. Ook de kust is verlaten, dus we moeten nog wel het een en ander uitzoeken en alles is voorbereid voor de altiplano. Maar rationeel weten we dat we een te groot risico lopen op de altiplano. De hoogte, de kou, de wind, de verlatenheid. Als we door heel Chili willen lopen dan moeten we de altiplano beperken. De route naar Iquique lijkt ons wel wat. We gaan naar de kust!

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Region 1: Tarapaca. Bookmark de permalink .

2 reacties op Naar de kust

  1. Hoi Jeannette en Arlen,

    Jullie zijn wel heel sterk, maar toch … het is ook erg zwaar voor jullie. Neem de goede beslissing .

    Veel succes. Groeten uit Wijchen

  2. Nel-Wim zegt:

    wat een barre tocht, overlevingstocht! Denk aan jullie gezondheid!
    sterkte en wijsheid toegewenst!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s